Nederlandse Verba (RG1)Version en ligne Leer eenvoudige Nederlandse werkwoorden par Dirk Dewerie A B D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z Begint met A reageren met een reactie op een vraag. Begint met B iets scheppen of met materialen tot stand brengen. Begint met D actie ondernemen, iets uitvoeren. Begint met E voeding consumeren. Begint met F met een voertuig op twee wielen voortbewegen. Begint met G iets aan iemand anders schenken of aanbieden. Begint met H bezitten, iets is van jou. Begint met I Tekst of cijfers schrijven op lege plekken op een papier of een formulier. Begint met J langzame, regelmatige loop in een gematigd tempo. Begint met K vertrouwd zijn met iets of iemand. Begint met L Nieuwe kennis of vaardigheden opdoen door te studeren, te oefenen of door ervaring. Begint met M iets tot stand brengen door handelingen. Begint met N iets pakken of aankopen. Begint met O tegengestelde van sluiten. Begint met P met iemand woorden wisselen. Begint met R snel bewegen met korte passen. Begint met S rustig zijn en bewusteloos in bed liggen. Begint met T getallen optellen of in cijfers aangeven. Begint met U een nieuw idee ontdekken of voor het eerst bedenken. Begint met V tot een conclusie komen na nadenken. Begint met W lopend verplaatsen over korte afstand. Begint met Z iets op een plek leggen of plaatsen.