Compléter Oefening 3Version en ligne Vul aan met de passende werkwoordsvorm. Kies uit: kronkelen, zoeven, ontwijken, barsten, wapperen. par Febe Dewancker 1 Het stormde aan de kust . Mijn sjaal in de wind . Een afgerukt verkeerslint over de dijk . We konden het maar net . De meeuwen door de lucht . Nu maar hopen dat die oude dijk niet .