Icon Créer jeu Créer jeu

Werkwoorden met vast voorzetsel 1

Froggy Jumps

NT2. B1.

Téléchargez la version pour jouer sur papier

53 fois fait

Créé par

Hungary

Top 10 résultats

Il n'y a toujours pas de résultats pour ce jeu. Soyez le premier à apparaître dans le classement! pour vous identifier.
Créez votre propre jeu gratuite à partir de notre créateur de jeu
Affrontez vos amis pour voir qui obtient le meilleur score dans ce jeu

Top Jeux

  1. temps
    but
  1. temps
    but
temps
but
temps
but
 
game-icon

Froggy Jumps

Werkwoorden met vast voorzetsel 1Version en ligne

NT2. B1.

par Boglárka Kozári
1

In de puberteit gaan jongeren meer aandacht besteden _____ hun uiterlijk.

2

Ben je bang _____ spinnen?

3

Gecondoleerd _____ het overlijden van je oma.

4

Hij ergert zich vaak ____ mensen die in de trein eten.

5

Ze heeft een hekel _____ mensen die te laat komen.

6

Hij is altijd op de hoogte ____ het laatste nieuws.

7

Je zou altijd ____ de grapjes van je kind moeten lachen.

8

Houd er rekening ____ dat hij nog een kind is.

9

Zij schaamt zich ______ haar grote neus.

10

We zijn erg geschrokken _____ het slechte nieuws.

11

Ik heb gesolliciteerd _____ een nieuwe functie.

12

Hij is geslaagd _____ zijn rijexamen.

13

Ik ben erg slecht ____ het onthouden van namen.

14

Zij heeft spijt _____ haar studiekeuze.

15

____ wie ga jij stemmen bij de volgende verkiezingen?

16

Ik heb trek ____ een kroket!

17

Gefeliciteerd ____ je nieuwe baan. Ik ben zo trots ____ je!

18

Zij verbaast zich ____ de voorzetsels in het Nederlands.

19

Hij heeft zich vergist ____ de datum.

20

Ik verheug me ____ Kerstmis met mijn familie.

21

Verlang jij ook zo ____ een kop warme chocolademelk?

22

Ik kijk uit ____ de dag dat ik geslaagd ben.

23

Als we gaan tennissen, verlies ik altijd _____ jou.

24

Hij is verslaafd ____ gamen.

25

Heb jij verstand _____ computers?

26

Heb jij je goed voorbereid ____ de test?

27

Ik zal me even ____ jullie voorstellen. Ik ben Jan de Graaf.

28

De weerman heeft gewaarschuwd _____ mist op de weg.

29

Zij kan niet wennen ____ het gebruik van een agenda.

30

Heb je zin ____ een ijsje?