Créer jeu
Jouer Froggy Jumps
1. Marco (worden - Imperfekt) ... boos.
A
werden
B
werd
C
wert
2. Hij (zeggen - Imperfekt) ... niets.
A
zegde
B
zegte
C
zei
3. Ik (zien - Imperfekt) ... jou.
A
ziende
B
zag
C
ziente
4. Waar (zijn - Imperfekt) ... jullie?
A
waren
B
was
C
woren
5. Hij (zitten - Imperfekt) ... in de gevangenis.
A
zat
B
zad
C
zaat
6. Ik (zoeken - Imperfekt) ... mijn sleutels.
A
zocht
B
zogt
C
zochd
7. Het kind (zuigen - Imperfekt) ... op zijn duim.
A
zuigde
B
zuigte
C
zoog
8. Wat (zullen - Imperfekt) ... jij doen met 1 miljoen?
A
zulde
B
zulte
C
zou
9. De eenden (zwemmen - Imperfekt) ... in het water.
A
zwammen
B
zwommen
C
zwomen
10. Ik (hebben - Imperfekt) ... vroeger een kat.
A
had
B
hadde
C
hatte