1
Lucy (werken) vorig jaar in de supermarkt.
2
De boswachter (kappen) de boom.
3
De jongen (schrobben) de vloer van zijn kamer.
4
De honden (blaffen) naar de buurvrouw.
5
Mijn zusje (fietsen) naar school.
6
Mijn moeder (naaien) de knoop op mijn jas.
7
Jullie (luisteren) naar de opname.
8
Die boom (waaien) zaterdag om.
9
Mijn broertje (fluisteren), omdat de baby lag te slapen.
10