1
.
Zij
samen
naar
de
bioscoop
.
(
gaan
)
2
.
Mark
een
rondje
door
het
park
.
(
rennen
)
3
.
Hij
het
antwoord
.
(
weten
)
4
.
Romy
het
niet
om
op
tijd
te
komen
voor
muziekles
.
(
redden
)
5
.
Hij
graag
zijn
huiswerk
voor
techniek
.
(
maken
)
6
.
Het
vanmiddag
hard
gaan
regenen
.
(
kunnen
)
7
.
Je
alle
zinnen
eerst
over
op
een
a4
-
tje
.
(
schrijven
)
8
.
jij
op
zaterdagavond
?
(
werken
)
9
.
Ik
een
kaarsje
in
de
kerk
.
(
branden
)
10
.
Rob
100
euro
op
die
kast
.
(
bieden
)