week Volgende en Overmorgen met tot Morgen
1
.
Ik
ga
van
maandag
(
t
/
m
)
vrijdag
naar
school
.
2
.
(
Morgen
)
ben
ik
vrij
.
3
.
(
Uebermorgen
)
moet
ik
werken
.
4
.
(
Naechste
Woche
)
is
Petra
op
vakantie
(
im
Urlaub
)
.